Arabier onder de koeien

Jersey houdt geen stabiele plaats op de inseminatielijstjes

Vanaf een klein eiland wist de Jersey zich wereldwijd te verspreiden tot het tweede koeienras ter wereld. Haar vermogen onder vele omstandigheden goed te functioneren, dwingen respect af. Haar gehalten zijn geroemd, de lage omzet en aanwas gevreesd.

De Jersey is naast de Holstein zonder twijfel wereldwijd de meest verspreide koe. Naar schatting zijn er zo’n vijf miljoen geregistreerde Jersey’s te vinden over de hele wereld. Van origine allen afkomstig van het kleine eiland Jersey (14 x 8 kilometer groot) voor de kust van Frankrijk. Al in het jaar 700 VC kwamen daar de eerste tekenen van leven van de Jersey vandaan. Een oud ras derhalve waarbij al vanaf 1600-1700 werd geëxporteerd. Momenteel kent Jersey zelf nog 35 veestapels met gemiddeld 100 koeien die zo’n 14 miljoen liter melk jaarlijks produceren.

De Jersey is een beige, lichtbruine tot bijna zwarte koe met eventueel wat witte vlekken. Ze heeft een fijn gebouwd melktype. Haar hoogtemaat ligt rond 1.20 meter en daarmee is ze een stuk kleiner dan haar Holstein collega. Ondanks haar fijnheid munt haar skelet uit in hardheid. Mede door haar adellijke uitstraling wordt de Jersey de Arabier onder de runderrassen genoemd. De benen zijn zeer hard, de klauwen zwart. Haar uier heeft een bijzonder goede vorm en de speenplaatsing is zeer correct. De melk uit haar melkklier is vooral uniek. Met vetpercentages van 6 procent en 4 procent eiwit geeft ze echt ‘dikke’ melk.  Daarmee kan de melk zeer efficiënt omgezet worden tot kaas.

Ideale robotkoe
De vaardigheid zich in verschillende omstandigheden en klimaten te handhaven heeft de Jersey waardering gebracht. Haar karakter is nieuwsgierig, intelligent en ook eigenzinnig. Ze handhaaft zich gemakkelijk in grote veestapels die jaarrond binnen gehouden worden. Ook is ze de perfecte robotkoe met haar assertieve temperament. Daarbij wordt haar afkalfgemak als een enorm pré gezien. Zelfs kruisen met Belgische witblauwen levert geen geboorteproblemen op door haar soepele bekken en staartinplant. Aandachtspunt is haar gevoeligheid voor melkziekte.

Als belangrijkste fokgebieden staan Amerika, Denemarken en Nieuw Zeeland te boek. De Deense en Amerikaanse genetica vermengen zich steeds meer waarbij de Denen sterker scoren op de gehalten en de Amerikanen op formaat en melkproductie. Daar lijkt de Jersey meer op haar HF collega. Nieuw Zeeland heeft een ‘eigengefokte’ Jersey die nog iets kleiner is en voor een 100 procent grasrantsoen is gefokt. De uitwisseling vindt vooral plaats om de basis in de fokkerij te verbreden. Jaarlijks worden zo’n 500 proefstieren wereldwijd ingezet.

Wisselende populariteit
In Nederland is al begin jaren 80 geëxperimenteerd met het inkruisen van Jersey. De resultaten uit onderzoeken waren goed, de economische uitkomsten positief. De Jersey kruisling bracht een prima heterosis, ze vragen weinig onderhoudsvoer en zijn efficiënte omzetters van ruwvoer naar melk. Toch laat de populariteit van de Jersey, afgemeten in aantallen eerste inseminaties, vele ‘ups en downs’ zien. De vetquotering kwam voor de opmars van de Jersey zeer ongelegen. Daarbij is de lage opbrengst bij de verkoop van kalveren en koeien een van de belangrijkste redenen voor het niet doorzetten van kruisen met Jersey’s. Stierkalveren die 25 euro opbrengen en uitstootkoeien die niets opleveren voor de slacht, blijft veehouders dwars zitten. Daarnaast blijken de kruislingen kleiner van formaat dan de oorspronkelijke (HF) veestapal en daarmee heeft de vraag ‘hoe verder na de F1?’ consequenties voor de indeling en maatvoering binnen de stallen. De variatie in lichaamsmaten en melkproductie blijkt bij verder kruisen lastig werkbaar.

Wie echter zuivere dieren op het bedrijf heeft, blijft onder de indruk van hun werklust. Vele naar Denemarken geëmigreerde veehouders met een Jersey veestapel hadden zich als eerste voorgenomen de koeien in te ruilen voor Holsteindieren. Het is er bijna nooit van gekomen. 

Volgend jaar 40 jarig jubileum
Vanaf 1966 heeft Nederland een Jersey stamboek. De interesse voor de Jersey kwam door hun hogere voerefficiëntie, ze weten veel melk te produceren uit ruwvoer. Waar 3 FH koeien liepen konden 4 Jerseys op dezelfde hectares gehouden worden met als resultaat dezelfde liters melk met hogere gehalten. Later kwam de categorie SLOM boeren die hun ‘vrije’ vetgehalte graag met Jerseys vastzetten. Momenteel lopen er in ons land rond de 1000 zuivere Jerseykoeien in 25 veestapels waaronder 7 biologische.

Plussen en minnen van Jersey's

+ hoog eiwitgehalte

+ afkalfgemak

+ harde klauwen

 - hoog vetgehalte

- lage omzet en aanwas

- gevoelig voor melkziekte

 Walter Bosgoed: ‘Jersey brengt lenigheid in de veestapel’

Sinds zeven jaar kruist Walter Bosgoed uit Denekamp zijn veestapel in met Jersey en Brown Swiss. ‘De heterosis krijg je er gratis bij.’ Hij startte net na de superheffing met de Jerseys om het vetgehalte nog voor de vetquotering te verhogen naar 4,54 procent. Inmiddels kruist de jonge veehouder vooral vanwege het eiwitgehalte. ‘Het hoogste percentage eiwit brengt het hoogste saldo. Bij elke oude Holsteinkoe die ik afvoer stijgen de gehalten in mijn melk.’

De 100 melkkoeien bestaan uit Holstein, Jersey en Brown Swiss die in een drieweg kruising om de beurten aan bod komen. Het rollend jaargemiddelde bedraagt 9360 kilo melk met 4,60 procent vet en 3,60 procent eiwit. ‘Je moet wel een grote liefhebber van fokkerij zijn. Je moet veel informatie zoeken en de stierkeuze van alle rassen bijhouden’, geeft Bosgoed aan. Om de veestapel uniform te houden, krijgen slechts enkele stieren kansen. Het eiwitpercentage is van belang en bij de Jerseys gebruikt hij liever geen stieren uit Amerika. ‘Dan lever je teveel bespiering in.’ Dat de omzet en aanwas van de Jerseys lager is, betwijfelt hij. ‘Wat brengt een Holstein koe op dan? Vorige week verkocht ik nog een Jersey die teveel aan zichzelf dacht: 300 kilo geslacht gewicht.’Bosgoed roemt het afkalfgemak van de Jersey. ‘Hun bekken is van elastiek, ze brengen sowieso lenigheid in de koeien. Als ik de koeien ’s morgens ophaal lopen de Jerseys voor me uit, bij de Holsteins moet ik altijd wachten tot ze opgestaan zijn.’